Eureka

‘Heb je ’s nachts ook last van het licht?’ vroeg ze.
Mijn blik was even vragend als de hare.
‘Ja, het licht, weet je wel?’
Alsof ik elke nacht een eureka-moment had,
het licht even zag
en er last van had.
‘Welk licht?’ vroeg ik dapper,
zoals ik tien jaar geleden net zo dapper vroeg of ik
sinas mocht drinken op een dinsdagmiddag.
‘Het oranje licht van de kassen. Je woont toch in Erica?’
‘Op Erica, ja.’
Licht beledigd zag ik die avond tussen de kozijnen door het licht,
had ik mijn eureka-moment: de kassen!
daar kwam al die tijd dat oranje licht vandaan.
Ik dacht altijd dat het verlate zonsondergangen waren
die ik nog eens na wilde jagen.
De kassen, dus. Voor het eerst had ik er last van.

© Eva Broekmann

 

Advertenties

De achterkant

De straat is keurig, niets op aan te merken.
Wij vegen allemaal ons stoepje schoon
en tuin met afrikaan en anemoon,
houden we mooi binnen de perken.

De ramen worden wekelijks gelapt,
de auto wordt op zaterdag gewassen,
wij luchten lakens, kussens en matrassen
en deuren worden niet hard dichtgeklapt.

Vanmorgen hoor ik motorzagen ronken.
Gemeentedienst grijpt in met harde hand.
Verwijderd worden oude struik en stronken.

Het buurtbeeld toont nu vrij en heel gênant,
de scheve schuren, schutting, kinderhonken.
De spiegel blinkt niet aan de achterkant.

© Bertus Beltman

Wie döt ons wat

Straks opent God in de hemel zijn sluizen
Straks breken aan de Zuidas torens in twee
Straks wil iedereen naar hier verhuizen
Straks grenst Westenesch opeens aan zee

Straks wordt al het geld gelijk aan slik
Straks stroomt er water over de IJsselbrug
Straks zingt alleen Drenthe die regel van Skik
Straks zwemmen kinderen naar huis terug

Straks blijken dijken lek als een vergiet
Straks zijn alle bedrijven van de Chinezen
Pas als iemand patat en het bier verbiedt
Zullen mensen dat als het teken lezen

© Joep van Ruiten

Komkommertijd

Ik doe ‘t, vertelde Bouke
Het is een vaststaand feit
Dat ik verkas naar Westland
Het wordt komkommertijd

Mijn roos zal niet verwelken
Mijn schip zal niet vergaan
Want bij de warenhuizen
Vind ik straks mijn bestaan

Tussen fuchsia’s en tulpen
Augurken, paprika’s
Wordt onze rooie Bouke
Straks burgerbovenbaas

Gedonder in de glazen stad?
Tussen groenten en het lover?
Dan zegt ie vast: Je kunt mij wat
Ik geef mij nooit niet over!

© Eddie Zinnemers

Wintertijd

De wintertijd is ingegaan vannacht
De sterren zijn te zien op volle kracht
Want Drenthe is, zo las ik in de krant
De donkerste provincie van het land

Ik zwalkte gisteravond door de stad
Waarna ik in het duister ladderzat
Ontwaakte in een plas van eigen kots
In Wildlands op de olifantenrots

Waarna ik door twee dienders onverwacht
Met zwaailicht naar mijn slaapplek werd bracht

© Machiel Pomp

Zij zijn niet bang (liedje)

Het is zo’n dag, waarop iets komen gaat.
Er gonst geheime spanning door de straat,
een sfeer waaraan door niemand is gedacht.
We staan op scherp, er wordt hier iets verwacht.

Als door de wind onzichtbaar voortbewogen,
met linten, met verwachtingsvolle ogen,
gaat zij, de toekomst die opnieuw begint.
Zij draagt het leven van haar eerste kind.

Altijd zullen ze weer opstaan,
de vrouwen die de toekomst durven dragen.
Zij zijn niet bang.

Zij gaat de straten door en voelt zich vrij.
Zij toont zich en ze zegt: ‘Kijk toch naar mij.’
Hoe anders is de sfeer nu zij daar gaat.
Ja, iedereen staat stil en niemand praat.

Met blote voeten, kriebelkort gazon,
gekoesterd door de warme zomerzon,
een vijver, zeven zwanen, stil en wijs.
Zij voelt zich Eva in het paradijs.

Altijd zullen ze weer opstaan,
de vrouwen die de toekomst durven dragen.
Zij zijn niet bang.

En als ze sluimer slapend nachten denkt,
een meisje dat zichzelf ter wereld brengt,
en luistert naar de late stads-fontein,
dan weet ze: morgen zal ik geen kind meer zijn.

Zij is niet bang.

© Bertus Beltman

Grote Kark

Een bult bescharmt hum
tegen kuren van het weer
Zien olde huud weert
de geluden van de binnenstad
Niet heurbaor spreekt zien doden
Demonen bint wied vort
en meraokels liekt verdwenen

Hier is het stil, de giesten bint verjaogd
Open wacht een biebel

Het dak bewaort hum
veur het krèeien van de haon
Het hoge locht strek
as een schaduw deur de kille lucht
Zien vensters kleurt de muren
De woorden wordt verwarkt
en gedachten bried verdreven

Hier is het stil, de hartslag vuult vertraogd
Ieuwig rust de vrede

Hier logeert de kunst, deur ziel en oog bevraogd

© Klaas Koops

Lieve Pepijn

Lang heb ik naar je gezocht
op de meest onwaarschijnlijke plekken
dacht zelfs soms dat ik je gevonden had
ik had het mis, mijn lieve schat

Lang heb ik gezocht naar
tekens in de sterren
toevalligheden op mijn pad
ik heb je gemist, mijn lieve schat

Het ging anders dan we dachten
toch moest het zo gaan
lang voordat ik jou zou ontmoeten
was ik al verliefd op je naam

Wat betreft de tekens van het lot
kon de kosmos niet transparanter zijn
terwijl ik zocht naar mijn ware liefde
woonde ik jarenlang naast Theater Pepijn

© Berendy Gähler

Hunebed Highway

Op de weg naar Groningen
met een oude plant tussen mijn benen
peins ik over achttien
de auto zit vol;
mijn zus gaat verhuizen
verthuizen naar ver
en als ik achttien ben
is het voor mij zover
een buizerd op een paaltje kijkt ons aan
volgt ons
zegt ons
dat de tijd vliegt
ik zeg ‘ik zal je missen’
zij het platteland
op de N34
op de weg naar Groningen
geeft zij een plant een tweede kans
ik haar mijn hand

© Eva Broekmann

Zomer 2018

Dit is de zomer van het gele gras.
Het gras is ook niet groener bij de buren.
Onze bescheiden zon maakt overuren,
verdampt de wolken en de waterplas.

De aardappel is kleiner dan normaal,
de maisplant draagt dit jaar geen grote kolf.
Het nieuws heeft maar één item: hittegolf.
Wordt de klimaatverandering fataal?

De kleine peuters van de dagopvang,
spelen op kunstgras in hun pierenbad.
Het lauwe water maakt ze niet meer bang.

………….

‘De droge zomer ’18? Maak me wat.
Ik zat toen weken op de dagopvang.
Het gras was altijd groen en heel erg nat.’

@ Bertus Beltman

Marty’s woeste Wildlands

Hij wees ons op een koedoe
en een staande antilope,
een hippo en een bushbok,
in een rijke biotoop.

We zagen hartenbeesten,
olifanten, een hele hoop
giraffen, waterbuffels,
in een rijke biotoop.

Geen cheeta aangetroffen,
en geen pythons in een knoop,
wel stille krokodillen,
in een rijke biotoop.

Ver weg was heel dichtbij,
was ‘t gevoel dat mij bekroop,
in Marty’s woeste Wildlands,
in die rijke biotoop.

© Eddie Zinnemers

Langgraf

Dit is al lang gien graf meer maor allent
de leste en vervallen veurpost van een tied
waorin ie langzaam bent verscheuven in het niet,
dat jaoren uut mekaor leut vallen in het end.

Tweikamerwoning veur de iewigheid
waorvan verdwenen deuren niet meer sluten.
Hier huust de dood achter de open ruten
waordeur de wind van het vergeten weeit.

Van Giffen greuf joen leven uut het zaand.
Binnen de keerkring van bemost graniet,
die as ovalen weermuur rond joe stiet,
holdt hier gien woord van joe nog staand.

En nou gien taol of teken bleven is,
korrelig schrift as stof versteuven,
blef mij niks aans as vast geleuven
dat leven meer is as gemis.

© Anne Doornbos

Keuze

Ik wil het willen,
Maar ben daar nog niet
Ooit, later, straks misschien
Ik zing nu nog mijn eigen lied

Ik wil het durven
Deze leerschool van het leven
Beetje theorie, enorm veel praktijk
En ook de heilige Bell Curve

Als ik het mag worden
Wil ik van alles zijn,
Maar dat, dat liever niet
Afijn.

Het is geen eenvoudige keuze
Als er al wat te kiezen is
Het moet je gegund zijn
Wat als ik mijn oude leven mis?

© Berendy Gähler

Zwembad

Terwijl de badjuf onder een parasol
haar koffie drinkt

Spuwt de glijbaan gillende kinderen uit
Vrees is voor volwassenen

Achter de badrand
worden mannen jongens

Demonstreren meisjes in bikini
de kracht van het lichaam

Op de zonneweide wordt uit badstof
een tulband gevouwen

Hij telt zijn centen voor het winkeltje:
Dropsleutel, schuimblok of snoepketting

Zoekt schatten op de bodem
Ontdekt rimpels in tenen en vingertoppen

© Joep van Ruiten

C’est la vie

Overstampvolle terrassen,
knetterknallendhete hitte,
knotsknokkendgek theater,
dat is het leven, c’est la vie.

Voortdurend decibellende,
in flonkerend vlammend licht,
driftig jubeljankende deejays,
dat is het leven, c’est la vie.

Lamlendig ladderzat lallende,
langlijzig loom lamenterende,
klepzeikende kloothommels,
dat is het leven, c’est la vie.

Dan komt die kloterige uitslag,
waar je niet op zit te wachten,
die alles verdorie op de kop zet,
dát is het leven, c’est lá vie.

© Eddie Zinnemers

Veenlaand

Dit wiede laand van wieken en kanaolen
Dit laand gebörgen oet verveende grond
Dit laand van darg en raoi, van blok en mond
Dit laand verveend deur veenkoloniaolen

Van aoltied arm ellendige verhaolen
Waor moekes reerden tot de morgenstond
Gedwongen winkelnering nog bestond
Bestierd deur veenbaos, kark en dranklokaolen

Dit laand waorvan de bovenlaog verdween
Deur bokseln, kromstaon, knooien, lange daogen
Met bloed en zwiet des anschiens ofgegraoven
Der vaoderen ontworsteld an het veen

O laand van veen, van stobben en van plas
Mien laand, veurmaolig eindeloos moeras.

© Gezienus Omvlee

Veenpark

Als ik met haar het Veenpark binnenga,
voel ik dat er een diepe scheiding is;
herinneringen en geschiedenis.
De afstand tussen kind en grootpapa.

Zij hoort geen klompen klossen op de klinkers.
Zij kent de kachel niet met turf gestookt,
de stoomtrein die uitbundig fluitend, rookt
en in de school de poepdoos en zijn stinkers.

Wij rijden op het smalspoor door de tijd.
De plaggenhut, de kerk, de molen hoek,
de smid, de bakker die zijn brood bereidt.

De veenarbeider met gelapte broek,
zijn vrouw, zijn kinderschaar, hun soberheid.
Wij krijgen langzaam trek in pannenkoek.

© Bertus Beltman

Op kamers

De deur is dicht, het gaat beginnen.
Weg van de stem onder aan de trap,
het zakje brood, de zwaaiende hand.

Een paar passen nog, krap, dan de
hoek om. Onderin de tas een diploma,
te gebruiken als enkele reis toekomst.

De trein heeft weinig haast. Na de
rivier volgen naast nieuwe beelden
ook geluiden, de wereld krijgt kleur.

En alles stemt vrolijk: kamer met zicht
op een muur, het plakkerig fornuis,
de schimmel op het douchegordijn.

De spiegel van moeder. De twijfelaar.
Dit moet het zijn. Straks aan het bier.
Maar nu eerst: een flink potje janken.

© Joep van Ruiten

Wat als de bal niet …

Een bal, zegt menigeen,
heeft meestal kop noch kont,
is door de jaren heen,
voornamelijk bol en rond.

Maar wat als, vrij obsceen,
plotsklaps en heel vilein,
tot schrik van iedereen,
de bal niet rond zou zijn?

Wat als ie vierkant oogt,
met harde haakse hoeken,
wordt ie dan wel gedoogd,
of moet ie hulp gaan zoeken?

Ik zou op elke kubuszij
in zwart een cijfer schrijven
en als de zes dan boven ligt,
dan mag ie vierkant blijven.

Maar wordt na ferme schop
de één of nul verkregen,
dan wordt de bal weer rond
en ben ik vierkant tegen.

© Eddie Zinnemers

Grensgebied

hier in een leeg en haast onzichtbaar land
heb ik geen verleden, ik schep een handvol
zand en laat het waaien, stuiven, het stof
verkleurt naar rood, naar goud, naar zon

een vlinder vangt mijn blik, dan verder weg
een vogel en ik snap dat als ik wacht, vergroei
met wat hier leeft, dit stille land zich kennen
laat, zich traag ontpopt, verandert in een plek

om van te houden

© Peter Veen

Klik hier voor filmpje op locatie met met gesproken tekst?