Nachtwacht

Ik ging naar Emmen om de wacht te zien
en zag hem, Banninck Cocq, in ruwe lijnen,
nog onaf, wachtend op kleur en ‘t verfijnen,
baas van de schutters. Een minuut misschien

dat ik daar stond. In droomgedachten verzonken
zag ik mij fier, fanatiek, de trommel beroeren,
als vroeger, toen wij, Emmermeerse tamboeren,
in onze Keerpuntpakken ook liepen te pronken.

Het was de schilder, die met veel bravoure,
mij wees op het werk, dat met man en macht,
tot stand moest komen, voorwaar een toer.

Ik: “Dus ‘t komt niet klaar terwijl ik wacht?”
“Nee, maar kom nog eens”, zo sprak hij stoer,
“over een kwartaal of acht, dan is ’t volbracht”.

© Eddie Zinnemers

Advertenties

Smaakje

‘Koffie alsjeblieft.’
‘Welk smaakje wilt u, kardemom, geitenkaas, bramen of rundvlees?’
‘Heb je niet gewoon koffie?’
‘Nee, dit zijn onze smaakjes. Welke mag ik u brengen?’
‘Heb je dan misschien thee?’
‘Jazeker. Dan hebben we de smaakjes ginseng, bloedworst, zeezout en natte hond.’
‘Niet gewoon thee? Doe me dan maar een kopje warm water.’
‘Met bubbels?’

©Peter Veen

Onbelichte Delen

Wat werkelijk is
valt of staat
met het perspectief
dat u durft te geven
aan uzelf en een ander

Eén stap naar links of rechts
maakt u niet wispelturig
omdat het enkel lijkt
dat er niets is veranderd

Als iedereen en u niet uitgezonderd
zijn licht durft te laten schijnen
op de onbelichte en gevreesde delen
dan gaan we van ‘jij komt mij tegemoet’
naar ‘zullen we samen buiten spelen’

Berendy Gähler

Emmemoriam

Ontnomen woorden
Laten de stilte spreken
Wanneer ik mezelf verloren ben

Als zachte zonnestralen schijnen
In mijn door kou bevangen gezicht

Zie ik jou

Weerspiegeld in het donkere water
Vol dauwdruppels van verdriet

Als lucht gevuld met zorgen
Zweeft op de met zon doordrongen wind

Denk ik aan jou
Voor altijd in de lucht

Anna Sophie Bakker

Leeg huis

Met duizend draden nog gebonden
voor ‘t laatst alleen op deze plek:

De grenen keuken nog intact, al
hangt een deurtje scheef.

Daar is het plekje naast de haard
waar hij neusjes, tranen droogde.

Dan waagt zijn oog het te kijken naar
‘t witte vierkant aan een vergeelde muur
waar de foto, van het kind dat eeuwig
negen bleef, nu niet meer hangt.

Hij weet, ‘t is de hoogste tijd te gaan
maar nòg kan hij hier niet vandaan.

Plots valt door het hoge keukenraam
een streep licht voor zijn voeten neer.

Nog eenmaal speelt hij het kinderspel
uit een voorgoed gestold verleden en
springt in het licht, net als weleer.

© Geja Casu

Week van de poëzie

Eén week per jaar regeert de poëzie.
Dan staan we even stil bij de gedichten
en laten onze geest dan graag verlichten
door Vondel of moderne evenknie.

Wij duiken diep in rijmende gedachten,
of ritmische strapatsen zonder rijm,
verklaren voor ons zelf het diep geheim,
dat achter al die regels staat te wachten.

O, wat een vrijheid biedt de dichtkunst ons.
We toeren rond en fietsen zonder handen,
we mennen paarden als de postiljons.

We zien de zeeën en hun verre stranden,
we maken reizen zonder eindstations,
We kluiven, kauwen teksten zonder tanden.

Bertus Beltman

O.B. sien tas?

Zeg hé, A.J.,
da‘s kras,
is dit O.B. sien tas?
Nee J.C. , gij rare kikker,
O.B. sien tas is stukken dikker.

Sorry, ik dacht,
naar het schijnt,
heeft O.B. sien tas verkleind.
Dus volgens A.J. en nu ook J.C.
is deze tas niet van O.B.

Okay, A.J.,
valt af O.B.
Nou ja, valt af; het valt niet mee
Hij is te breed, behoorlijk zwaar.
Een dikke tas is dus niet raar.

A.J., ik stop,
ik heb geen tijd,
ik breng die tas wel naar “Ben Kwijt”.

© Eddie Zinnemers

Armgebaar

“Mijn baas vroeg nog, wat ga je missen nu je niet meer hoeft te werken. Niks, zei ik tegen hem, niks, het voelt of ik eindelijk mijn vrijheid terug heb. Nee, met die vrijheid hoef je niet iets speciaals te doen. Gewoon leven, daar gaat het om. Wandelen, koken, de tuin, voor mij is dat genoeg. Die vrijheid, nee, die geef ik niet meer weg. Want nu heb ik alle tijd voor dit…”

Zijn armgebaar omhelst het natte bos, de torenhoge stapelwolken, de honden die aan elkaar snuffelen op het slingerpad langs de sloot. Een kikker plompt vanaf de wal het water in. Boven de bomen schreeuwt een buizerd.

© Peter Veen

Een eigen plan

ik trek mij een fris hesje aan
ik trek mij een fris groen hesje aan
ik doorbreek de gesloten kring
ik schrijf een eigen plan

ik maak letters van onrust en verlangen
ik maak taal van ongenoegen en geluk
in mijn keel jeuken de woorden
in mijn keel ligt het lont op de tong

de letters en het lont gloeien
de woorden van ongenoegen splijten
de taal maakt mijn tong tot een bom

ik trek mij een fris groen fluoriserend hesje aan
en ik gloei en ik splijt en ik schrijf

© Joep van Ruiten

Afscheid van de Zuidoosthoeker

Het uur van afscheid slaat voor deze krant.
Ze zal het nieuwe jaar helaas niet halen.
Ze spreekt niet meer van oproer en schandalen.
Heel zuidoost Drenthe treurt in groepsverband.

Het schijnt dat onze krant moet gaan fuseren,
dat zij wordt opgeslokt door een Courant.
Dat klinkt wel deftig en staat interessant,
maar weemoed doet mijn lezershart verteren.

Ik weet dat niets bestendig is op aard,
dat uren, dagen, maanden, jaren vlieden,
maar jij, Zuidoosthoeker, mijn hart bezwaart.

Waarom, zo vraag ik, moet dit toch geschieden?
Als wij op nieuwjaar klinken bij de haard,
kan ik mijn tranen vast geen weerstand bieden.

Adieu.

© Bertus Beltman

Een nacht of acht

Nog een nacht of acht,
dan is ’t gedaan met doen
en mag ik werken laten,
dan ga ik met pensioen.

Nog een nacht of acht,
dan ga ik school verlaten
en rest een groot karwei:
hoe mijd ik zwarte gaten.

Nog een nacht of acht,
dan ben ik frank en vrij,
geen volle vensterbank
met geraniums voor mij.

Wat later te gaan doen
en ik van straks verwacht?
Ach kom, ‘t is maar pensioen,
… over een nacht of acht.

© Eddie Zinnemers

Eureka

‘Heb je ’s nachts ook last van het licht?’ vroeg ze.
Mijn blik was even vragend als de hare.
‘Ja, het licht, weet je wel?’
Alsof ik elke nacht een eureka-moment had,
het licht even zag
en er last van had.
‘Welk licht?’ vroeg ik dapper,
zoals ik tien jaar geleden net zo dapper vroeg of ik
sinas mocht drinken op een dinsdagmiddag.
‘Het oranje licht van de kassen. Je woont toch in Erica?’
‘Op Erica, ja.’
Licht beledigd zag ik die avond tussen de kozijnen door het licht,
had ik mijn eureka-moment: de kassen!
daar kwam al die tijd dat oranje licht vandaan.
Ik dacht altijd dat het verlate zonsondergangen waren
die ik nog eens na wilde jagen.
De kassen, dus. Voor het eerst had ik er last van.

© Eva Broekmann

 

De achterkant

De straat is keurig, niets op aan te merken.
Wij vegen allemaal ons stoepje schoon
en tuin met afrikaan en anemoon,
houden we mooi binnen de perken.

De ramen worden wekelijks gelapt,
de auto wordt op zaterdag gewassen,
wij luchten lakens, kussens en matrassen
en deuren worden niet hard dichtgeklapt.

Vanmorgen hoor ik motorzagen ronken.
Gemeentedienst grijpt in met harde hand.
Verwijderd worden oude struik en stronken.

Het buurtbeeld toont nu vrij en heel gênant,
de scheve schuren, schutting, kinderhonken.
De spiegel blinkt niet aan de achterkant.

© Bertus Beltman

Wie döt ons wat

Straks opent God in de hemel zijn sluizen
Straks breken aan de Zuidas torens in twee
Straks wil iedereen naar hier verhuizen
Straks grenst Westenesch opeens aan zee

Straks wordt al het geld gelijk aan slik
Straks stroomt er water over de IJsselbrug
Straks zingt alleen Drenthe die regel van Skik
Straks zwemmen kinderen naar huis terug

Straks blijken dijken lek als een vergiet
Straks zijn alle bedrijven van de Chinezen
Pas als iemand patat en het bier verbiedt
Zullen mensen dat als het teken lezen

© Joep van Ruiten

Komkommertijd

Ik doe ‘t, vertelde Bouke
Het is een vaststaand feit
Dat ik verkas naar Westland
Het wordt komkommertijd

Mijn roos zal niet verwelken
Mijn schip zal niet vergaan
Want bij de warenhuizen
Vind ik straks mijn bestaan

Tussen fuchsia’s en tulpen
Augurken, paprika’s
Wordt onze rooie Bouke
Straks burgerbovenbaas

Gedonder in de glazen stad?
Tussen groenten en het lover?
Dan zegt ie vast: Je kunt mij wat
Ik geef mij nooit niet over!

© Eddie Zinnemers

Wintertijd

De wintertijd is ingegaan vannacht
De sterren zijn te zien op volle kracht
Want Drenthe is, zo las ik in de krant
De donkerste provincie van het land

Ik zwalkte gisteravond door de stad
Waarna ik in het duister ladderzat
Ontwaakte in een plas van eigen kots
In Wildlands op de olifantenrots

Waarna ik door twee dienders onverwacht
Met zwaailicht naar mijn slaapplek werd bracht

© Machiel Pomp

Noordbargerbos

Zachte zon en spinnenwebspiegels
om negen uur op zondag

Fietsen rollen over paden
kraken over bladen

Beklommen stenen uitgeleefd
historici verraden

liedjes fluiten, appels eten
neuzen luchten, tijd vergeten

Een boom alleen in het veld
vertelt een lang verleden

Zachte zon om negen uur
een vogel zingt tevreden

© Eva Broekmann

Zij zijn niet bang (liedje)

Het is zo’n dag, waarop iets komen gaat.
Er gonst geheime spanning door de straat,
een sfeer waaraan door niemand is gedacht.
We staan op scherp, er wordt hier iets verwacht.

Als door de wind onzichtbaar voortbewogen,
met linten, met verwachtingsvolle ogen,
gaat zij, de toekomst die opnieuw begint.
Zij draagt het leven van haar eerste kind.

Altijd zullen ze weer opstaan,
de vrouwen die de toekomst durven dragen.
Zij zijn niet bang.

Zij gaat de straten door en voelt zich vrij.
Zij toont zich en ze zegt: ‘Kijk toch naar mij.’
Hoe anders is de sfeer nu zij daar gaat.
Ja, iedereen staat stil en niemand praat.

Met blote voeten, kriebelkort gazon,
gekoesterd door de warme zomerzon,
een vijver, zeven zwanen, stil en wijs.
Zij voelt zich Eva in het paradijs.

Altijd zullen ze weer opstaan,
de vrouwen die de toekomst durven dragen.
Zij zijn niet bang.

En als ze sluimer slapend nachten denkt,
een meisje dat zichzelf ter wereld brengt,
en luistert naar de late stads-fontein,
dan weet ze: morgen zal ik geen kind meer zijn.

Zij is niet bang.

© Bertus Beltman

Grote Kark

Een bult bescharmt hum
tegen kuren van het weer
Zien olde huud weert
de geluden van de binnenstad
Niet heurbaor spreekt zien doden
Demonen bint wied vort
en meraokels liekt verdwenen

Hier is het stil, de giesten bint verjaogd
Open wacht een biebel

Het dak bewaort hum
veur het krèeien van de haon
Het hoge locht strek
as een schaduw deur de kille lucht
Zien vensters kleurt de muren
De woorden wordt verwarkt
en gedachten bried verdreven

Hier is het stil, de hartslag vuult vertraogd
Ieuwig rust de vrede

Hier logeert de kunst, deur ziel en oog bevraogd

© Klaas Koops

Lieve Pepijn

Lang heb ik naar je gezocht
op de meest onwaarschijnlijke plekken
dacht zelfs soms dat ik je gevonden had
ik had het mis, mijn lieve schat

Lang heb ik gezocht naar
tekens in de sterren
toevalligheden op mijn pad
ik heb je gemist, mijn lieve schat

Het ging anders dan we dachten
toch moest het zo gaan
lang voordat ik jou zou ontmoeten
was ik al verliefd op je naam

Wat betreft de tekens van het lot
kon de kosmos niet transparanter zijn
terwijl ik zocht naar mijn ware liefde
woonde ik jarenlang naast Theater Pepijn

© Berendy Gähler

Hunebed Highway

Op de weg naar Groningen
met een oude plant tussen mijn benen
peins ik over achttien
de auto zit vol;
mijn zus gaat verhuizen
verthuizen naar ver
en als ik achttien ben
is het voor mij zover
een buizerd op een paaltje kijkt ons aan
volgt ons
zegt ons
dat de tijd vliegt
ik zeg ‘ik zal je missen’
zij het platteland
op de N34
op de weg naar Groningen
geeft zij een plant een tweede kans
ik haar mijn hand

© Eva Broekmann

Zomer 2018

Dit is de zomer van het gele gras.
Het gras is ook niet groener bij de buren.
Onze bescheiden zon maakt overuren,
verdampt de wolken en de waterplas.

De aardappel is kleiner dan normaal,
de maisplant draagt dit jaar geen grote kolf.
Het nieuws heeft maar één item: hittegolf.
Wordt de klimaatverandering fataal?

De kleine peuters van de dagopvang,
spelen op kunstgras in hun pierenbad.
Het lauwe water maakt ze niet meer bang.

………….

‘De droge zomer ’18? Maak me wat.
Ik zat toen weken op de dagopvang.
Het gras was altijd groen en heel erg nat.’

@ Bertus Beltman